Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of het herjlelde ongelyk. ]

33

myn eerde voorneemen was baar hulp tê geeven; myne armen onderfteunden haar; ik voelde haar hart tegen het myne kloppen, myn mond genaakte haare mond ; de flrilte van de nagt, het flaauwe licht, dat de bekoorlyke wanorde van zoo veele fchoonheden, in één voorwerp vereenigd, ten deele verlichtte, zouden volkomen in ftaat geweest zyn om de allerbedaardfte rede te verbysteren : haar hygende boezem, haare fchoone loshangende haairen, de bekoorlyke zagtheid, die op een zoo betoverend gelaat verfpreid lag, de verlegenheid der fchaamte, die door de vrees nog ichooner wierd, alle deze voorwerpen doen myvergeeten, 't gene ik by my zeiven voorgenomen had; ik befchouw thands niets meer dan eene engel van fchoonheid , en word te gelyk de wreedfte, de doemwaardigfle aller menfchen; om kort te gaan, myne deugd, myne rede, myne eerlykheid, dit alles is verdweenen; ik geef my over aan alle de vervoeringen , aan alle de woede van eenen toomeloozen drift; Clemence legt in myne armen!

Zy opent haare oogen, floot my met afgryzen van haar af, en valt weêr neder, met het hoofd op de borst gebogen. Thands befchouwde ik alle de yslykheid van myn misdryf; ik had de hemel zelve vertoornd. Ik wierp my aan de voeten van Clemence, befproeide die met mynetraanen, en fmeekte haar om vergiffenis, onder eene menigte van zugten en fnikken; maar ik kost niets anders van haar verkrygen, dan dat zy met eene flaauwe ftem zeide: nu blyft u niets meer over dan my nog van het

II. Deel. C lee-

Sluiten