Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34 Aristus en Eleutheria, of de

' ïk kan de hoogmoed, en ontaededoogenheid van de ryken trotfeeren, myn eigen arbeid kan my voeden ; de ryken hebben geenen anderen fteun dan hun geld, dat ligtelyk kan verloorén worden; maar ik kan my betrouwen op den onwankelbaaren grondfteen van myn eigen vernuft. Dus dagten deze twee harten, die als voor eikanderen geboren waren; zy gewenden zich aan dien arbeid, a!s of die van hunne geboorte af aan hen eigen geweest was; edele zielen alleen zyn in ftaat om te gevoe-. len, dat eene eerlyke middelmaat, door vooigaande rampen aangebragt, eene vergenoeging medebrengt, die aan de pragt en de gewaande grootheid onbekend is ; deze alleen kunnen de t°genheden van dit leeven draagen , en genoegen neemen in eene vernedering, die zy niet verdiend hebben; zy alleenkunnen zonder naaberouwdeydele pragt, die hen omringde, vergeeten, en met het zelvde gelaat armmoede lyden, waar mede zy den rykdom genooten hebben. Aristus genoot, wel is waar, niet meer de gunst van den vorst, en de toejuichingen van het volk; zyne gehoorzaal was ledig. Niemand boog zich op zyne verichyning, maar hy was thans ook niet meer het voorwerp van den nyd, den laster, en de befchimping; hy kon ieder dag als zyn eigen rekenen; hy gevoelde de waarde van zyne vryheid, en nimmer was hy zoo onafhangelyk dan in dezen gelukkigen middelbaaren ftaat. De kwaadaartige geestigheden der hovelingen, hunne bedekte haat, en bytende fchimpfchooten troffen zyne ooren nu niet meer; hy mogt

thans

Sluiten