Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

REDËNVOERING. 13

ïijk zijn, die in dit tafereel zijne beeldtenis erkent , een volmaakt' Mensch , een waare Wijze is.

Vergeeft mij, zeer geëerde Toehoorers! zö ik den mensch in eene volmaaktheid heb afgefchilderd, die ik nimmer in de natuur heb aangetroffen of kon aantreffen; maar die ik alleen, alle de hoedanigheeden, die te recht als volmtaktheeden befchouwd worden , famenvoegende, naar het geen ik mij verbeelde dat een waare Wijze zijn moet , gefchetst heb: — en het zij mij vergunt op dit tafereel toe te pasfen , het geen cicero aanmerkte, na dat hij den Redenaar hadt afgemaald: „ Ik heb, zegt hij, van den Re„ denaar gefproken, nameljik van den vol„ maakten: want, wanneer men iets van ee„ nige konst, of van cenig vermogen vraagt „ vraagt men het van het volmaakte: men „ kan immers niet nagaan, hoedanig en .hoe „ groot de kracht en de Waare aart eener zaak „ is, ten zij men dezelve in haare volmaaktheid „ befchouwe (£)".

Hoe-

(ft) „ De Oratore loquor ,/ummo fcilket ;femper enim, qua. „ cunqu; de arts aut fatultate qttceritur, de abfoluta fcf per.

fei

Sluiten