Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der veertiende jeeuw. I43

hoogen ouderdom aan dit Stuk niet toe te fchryven, cn ik voor my, die, zo vroeg, van die kieedinge geen blyk gevonden hebbe, zou hunne gedagten konnen omhelzen. Dat Vorften en andere Groo ten zig wel eens dus kleedden, in en op het einde der vyftiende eeuw, zou gemaklyker zyn te bewyzen, en het zou van daar konnen koomen, dat men, in de Plaaten , die, by alkemade, in zyne Uitgaave van melis stoke, voorkoomen en my toefchynen, in het laatsgemelde tydvak gemaakt te zyn, onze Graaven philips en karel van Bourgondie, niet geheel ten onregte, met zulke Tabbaards heeft uitgedoscht, als mede willem VI, die in 't begin van die eeuwe leefde. Maar, zo zy den laatften pasfen mogten, geloove ik, dat zy minder voegen aan onze vroegere Graaven, b. v. aan, dirk III, die, reeds in 't begin der elfde eeuwe , ftierf.

Het lang, gebloemd . met bont en zyde franjes gevoerd en uitgemonfterd, Gewaad, in het welk gy het tweede, op deeze lyn ftaande, Mansbeeldjen ziet, was ook, in de veertiende eeuw, in zwang. De Kaproen; van welken Hoofddragt wy reeds fpraken; vondt men vroeger en laater, ook, naar gelange der Perfoonen, mêer of min kostbaar en, veeltyds, met edele fteenen verfierd. Zo ftondt het ook met den Gordel, die , naar de oude zeeden, om het lyf gedraagen wierdt, en het ligchaam, als ware het, verdeelde, waarom men ook by ons, even als by de Franfchen, delpreekwyze hadt, „ yan den Gorderieme op* en ne-

„ der-

■fig ?.

Sluiten