is toegevoegd aan je favorieten.

Mengelwerken, in dichtmaat en prosa.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WEZENLIJKHEID, sip

Daar iterft mijn vriend! hoe, zoude ik beeven ?

Ik denk, hij flaapt en droomt gerust: Op morgen zal hij weêr herleeven:

Wél hem, die 't vreedzaam graf eens kuschtl Zóó denk ik, .tot de dag verfchijnt, Waarop geen' rouw meer 't harte pijnt.

ó Gij, die tachtig jaaren leefde, Denk, wat vóór vijftig is gefchied •

Gelijk de fpin haar webben weefde, Zóó was uw arbeid; anders niet: —

Een wind vernielt haar vlijt en lust:

De nacht verfchijnt; de grijsaart rust.

Hij droomt, gelijk de kindren droomen,

Wat- hij beleefde en nimmer zag: En ua de morgen is gekoomen,

Verdwijnt zijn droom op d'eigen dag. Hoe veel Augustus immer deedt, Het was een droom, dien men vergeet.'

Pa De