is toegevoegd aan je favorieten.

Mengelwerken, in dichtmaat en prosa.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WEZENLIJKHEID, mi-

Wij liggen daaglijks, als wij flaapen,

Zóó ftil, als waren wij reeds dood. Dan droomen wij van al 't gefchapen';

Van droefheid, fmarte, fmaad en nood. De dood kwelt zelfs ons niet zoo zeer, Want in het graf droomt niemand meer.

Het evenwigt kan 't all' bezielen

Wat in der weezens wisling leeft; De dood kan ook geen deel vernielen

Van 't geene in al de fchepping zweeft; Daar ieder worm, die mij doorboort, Een dèel is dat aan 't ganfche hoort.

Verandring heerscht in alle tijden;

Zij leert door 't kwaade ons 't ware goed; Door jammerklagten het verblijden;

Door nood den prijs van overvloed: Want die veel rampen onderging, Kent het geluk, na hij 't ontving.

P 3 Zoo