Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANLEIDING E

TOT DE NEDERDUTTSHE MAATSTIIL , EN K LANKREDEKENNIS,

TV

JL-^E Wetenfchappen die door de tiid bi kcnneliiken, en konftiicwende gefonden en gebetert fiin, of in hee toekomende nog Tuilen worden, daar fele bi fiin die noodfakeliik toe befeiliging, en behoeftigheden in de Warelt moeten bloeijende bliewe, egter ook fele maar toe Tiidwinnin.gen in eerlike handelingen ftrekke: onder defelwe twe foorname fiin, in noodfaaklnkheden altiiden juift niet groot, nu de Schrief- en Drukkoiift fo Frugtdragende fiin, meeft dienende toe konftelike en frolike Opmerkfaamheden in wetenswaardige Saken: En behoren fan alle anderen het Pit te weten, nog beter hun in 't oorfpronkelike onberispeliik te kertnen, omfe dies te beter op de hoogfïe trap der Eere te laten klimmen; Nameliik de Klankredekennis, en deSchilderkonft, J/die't tekenen, en meer andere wetenfchappen in fig bef.t: Siin door taalkenneren fan woordegeflagtej Sufteren in een Lighaam: Dog de twede ftom foor 't Gehoor, maar toe 't Gefigt beeldende is, of alles in nette ordining na d'aard en tigenfchap der gefchiedenisfe, ofte doelwit, daar d*oplettenheid een plaatfe beurt aan perfoon, leerrike, of wetenswaardige faken, toefchoonfchiinnentheit, ofte geheuginge in een paneel, of op iets anders fchets aanwiift, en hare meninge andere inboefemt door een Man, Frou, Kint, Hermafrodiit, Gedierte, ofte in Borft- en andere Beelden, Sieraadjen' met biwerk, en optoifelen na d'oorfprong, aard der beeldefpraak, en gefonde nieuwe finding het toelaar, fonder beneming harer Frajigheden. Hare Sufter de Klankredekennisfe [fprekende Schiiderkonft,] dit alles mede betreft, en fulks in een deftige leerwife (die aan geen owertollige woorden, noch lange redenen gebonden is,) buiten flordigeftraat-, en opgeworpene taal met woorden uiten moet: Dies fchuivvende, geliik de fpectator fan een perfoon gewaagt, die eene menigte faarfen fierüik cp de maat ekftempore btiiteSin in felersonmogeliikheden in klanken opdeunde: Geliik ik hier een kleen proefje uit onfe gemene ftraattaal heb. Als

Poes fliende, in fchroeide hoor ant fier, mit balkte Hannej Dat hetfe nou reis daan ; Mar wude 'er hilpe 'uns kanne.

A Of

Sluiten