Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Florian, Numa Pompilius, Second Roi de Rome. 239

verkiezende, denzelven door het huwlyk tragtte te verwandfchappen aan eenen dogrer van den nog levenden necker, of

van het thands regeerend opperhoofd van Babel ? Men zal

zig mooglyk. tragten te verdeedigen door zig hier op gezag te te beroepen, en ons antwoorden dat het in het heldendicht zeer geoorloofd is, dergelyke misdagen tegen de tydrekenkunde te begaan, dewyl virgilius zelve eene Dido en Aeneas, en op zyn voetfpoor fenelon eenen Telemachus en Sefoftris tot tydgenooten gemaakt hebben. Dog wy zyn er verre van af vaa toe te Hemmen dat dergelyke onregelmaatigheden by de ouden, als fchoonheden moeten worden aangemerkt, welke de navol» ging van laatere dichters waardig zyn. Men weet dat virgilius zelve zyn werk als zeer on volkoomen en gebrekkig befchouwd heeft, en uitdien hoofde niet gewild , dat hetzelve aan de nakoomlingfchap zou worden overgegeeven; en welligt is het zo onwaarfchynlyk zaamenvoegcn der beide hoofdperfoonert van zyn zangfluk geene der geringde redenen geweest, welke hem zyn eigen meesterftuk ten vuure hebben doen verwyzen.— Wy moeten hier nog by voegen, dat de geheele zaamenknooping der gefchiedenis van den Perfifcheti zoroaster, met die van ^en Romeinfchen n um a pompilius, iets zo onëigenaartigs, ""Iers zo geheel tegennatüurlyks in zig heeft, dat een oordeelkundig lezer te zeer het onwaarfchynlyke van het ganfche verhaal moet gevoelen, dan dat hy wezenlyk deel in hetzelve kan nee[ men, of zig verbeelden een waar tafereel van eene wezenlyke gefchiedenis voor zig te hebben. Het overvoeren van zoroas; ter uit het midden van Afie naar de valleijen van het Apen.

nynsch gebergte, is iets, het welk een dichter mooge droo| men, maar het welk hy nimmer als waarheid aan zynen lezer , voor kan draagen. De godsdienst daar en boven, en de wetten i van zoroaster hebben niets gemeens met de inftellingen van | numa, of met de zeden en gewoonte der vroege Romeinen; ' weshalven het in ons oog alles behalven een gelukkig denkbeeld ■ van den dichter is geweest, om den jongen wetgeever der Ro\ meinen door de lesfen van dien Perfifchen wysgeer te doen oni derrichten. Hy zelve voert op het einde van zyn werk het on1 derfcheid tusfchen den godsdienst van zoroaster en numa ' als eene reden aan, welke den eerflen volflrekt belet om toe te ftaan, dat de laatfte zyn huwlyk met anais openlyk zou voltrekken, moetende de held zig uit dien hoofde getroosten daag. lyks buiten Rome eene wandeling naar het bosch van e geria te doen, om aldaar zyne echtgenoote te bezoeken, en de vermaaken van het huwlyk met naar te deelen. Dit gedeelte der ontkuooping van het geheel bedryf dezes zangftu'ks,

dankt

Sluiten