is toegevoegd aan uw favorieten.

De recensent, of Bydragen tot de letterkundige geschiedenis van onzen tyd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

J. R. Forster, Natuurkundige Waarnemingen. 233

■ van eenig niet veraf zynde land. „ In de Atlamifche zee ,"zegc hy ,, zyn -uitgeftrektheden, die men niet ten einde kan zien , ' met"tiet zogenaamde zeegras (fucus naians) bedekt; en in de ! " Zuidzee, die tusfchen Nieuw Zeeland en Zuid America,byna ' ï twaalf honderd duitfche mylen breed is, zonder dat'er eenig " land tusfchen beiden ligt, hebben wy overal, van tyd tot tyd " zeegras en andere foortgelyke gewasfen zien dryven. Dan " voor eerst is niets waarfchynlyker, dan dat onderfcheidene " foorten van zeegras (fucus) nergens eene vaste plaats hebben, " maar geduurig op de oppervlakte der zee door den wind omgedreeven worden. En vervolgens kan men ook gemaklyk: " begrypen, hoe andere, niet verre van het ftrand, tusfchen " de klippen, voortgekoomene zeegewasfen, door de heer" fchende weste winden, van derzelver ftandplaatzen losgerukt, '' en over den geheelen oceaan kunnen gedreeven worden. Zelfs , uit den meerderen of minderen graad van verrotting, waar in " zig dergelyke planten moeten bevinden. Zoude men geen ze! ker befluit op de nabyheid of verdere afgelegenheid van een " land konnen maaken, dewyl men niet kan weeten, hoelang ,| zy door fbydige ftormen en ftormwinden gints en herwaards „ geflingerd zyn.''

In de tweede afdeeling van dit hoofdftuk, gaat de fchryver over, om ons zyne waarneemingen, omtrend het ryk der dieren

medetedeelen. Naar gelang der ontdekkingen, welke hy,

geduurende zyne reize, aangaande dit laatfte heeft konnen maa. , ken, verdeelt hy het zelve 1), in zoogende dieren; 2), in foorten van walvisfchen; 3), in vogelen; 4), in amphibien, oïlanden waterdieren; 5), in visfchen; 6), in irfekten of bloedloozt ; gedierten, en ten 7), in fchulp dieren en andere wurmen. —■ « \ Aangaande alle deze dieren, deelt hy kortlyk meede, het geen hy, zo omtrend het getal hunner foortcn, hunne verblyfplaatzen, I hunne verfcheidenheia, als omtrend hun ftelfel, heeft konnen waarneemen; dog welk een en ander van dien aart, is, dat wy den lezer dienaangaande tot het werk zelve, ter bekooming van nader onderrigt verwyzen moeten.

Het overig en by ver het aanzienlykst gedeelte der natuurkundige waarneemingen van den wysgeerigen fchryver, hebben alleen den mensch, als het uitfteekend hoofd der dierlyke fchepping, tot haar gewigtig onderwerp. Dezelve behelzen alles wat de ieverigfte navorfchingen en naaukeurigfte oplettenheid, gepaard met het fchrandefst oordeel en gezondst vernuft, op eenen zo uitgeftrekten en langduurigen togt, hebben konnen by een verzaamelen, om aan de gefchiedenis van ons geflagt eene grootere volkoomenkeid by te zetten, dan dezelve, ónaangezien de meenigvuldige gefchriften, welke eene befchouP 5 wing