is toegevoegd aan uw favorieten.

De recensent, of Bydragen tot de letterkundige geschiedenis van onzen tyd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Teylers Godgeleerd Genootfchap, X. Deel. 453

moeilyk te beantwoorden. Hy vindt het egter niet ongerymd, te ftellen, dat 'er, na den dood, eenige ftof van den mensch , en wel die allerfynfte ftof, welke ons tot denkende wezens maakte, onveranderd, ongemengd, dog rustende, en zonder werking, overblyve; terwyl zy, wederom vereenigd met andere deelen, waaraan leven en beweging is gefchonken, tot dezelfde werkzaamheden kan gefchikt zyn, en zig dan ook zeer gemaklyk de voorige werkingen en begrippen herinnere, zo ver het noodig zy. ——— ,, De mensch vat dan, om zo te fpreken, „ het werk wederom op, daar hy het gelaten heeft. Hy is „ eenigen tyd gelyk geweest aan eenen flapende, of aan eenen „ zieken, die, doodlyk krank geweest zynde, eenigen tyd „ leefde, als niet leevende; die geen behulp had van de uiter„ lyke zintuigen, maar, volkomen herfteld zynde, gefchikt is

tot de voorige werkzaamheden, en om het voorledene we„ derora in het geheugen te herroepen."

Hoe fchynbaar, intusfchen, deze ftelling ook moge wezen, oordeelen wy, langs eenen anderen weg, de zwaarigheden„ welke met dezelve onopgelost blyven, merklyk te kunnen verminderen, door de bepaaling van den eigenlyken zin der regtsgeleerde benaamingen van perfion en perfoonlykheid, als welke eene byzondere wyziging, of hoedanigheid, in den mensch aanduiden , waardoor hy een zedenlyk werkzaam wezen is, voor rekenfchap zyner daaden, voor wetten, voor belooning en ftraffe vatbaar. Zodra wy, nu, den mensch deze benaaming geven, dan befchouwen wy hem niet, in 't algemeen, onder het zamengefteld denkbeeld van een werkzaam verftandig wezen; maar, alleen onder de byzondere betrekking van een wezen, dat aanfpraaklyk is voor zyne daaden, met uitfluiting van alle andere betrekkingen, of wyze van beftaan. Zyne perfoonlyk. heid, derhal ven, in eenen zedenlyken zin, genomen zynde, komt het niet in aanmerking, of hy uit dezelfde ftofdeelen beftaat, als te vooren, of hy eene onafgebroken bewustheid hebbe van zyn beftaan en werkzaamheid; maar alleen, of hy, op onderfcheiden tyden, zyne voonduurende onderwerping kent aan dezelfde betrekkingen en verpligtingen, waaronder hy te vooren was, en waarin hy zig nog by aanhoudendheid bevindt. In één woord ; zy beftaat in de bewustheid van hetgeen hy, op verfchillende tyden, gedacht en verrigt, en in de volkomene overtuiging, dat hy dezelfde bewustheid van denken en handelen, ten dien tyde, even als tegenwoordig, gehad heeft. Zo iemand, merkt de beroemde 's gr ave sande (*) te regt aan,

door

(*) Intrad, ad Philofophiam, § 75. paj. 28.