Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maandlyksche katalögus, Romans, enz. 523

len. Jongen held is,hier ter plaatze, mede zeer fchoon gezegd, dewyl de Olympifche Nymph des dichters zig nimmer aan oude

en beproefde helden laat gelegen liggen.

De Domino neemt het mynheer den Dood vervolgens zeer kwalyk, dat hy geen meerder mededoogen voedt voor jonge kinderen; en roep: vervolgens uit, even als of een gansch heir van foldaaten, onder het bevel van een dapperen Generaal,onze landen dreigde te overflroomen.

„ Myn God I welk ftervling zou voor dat geweld niet beven ?

„ Wie leeft 'er nog gerust — wie fchrikt niet voor de n dood! " Na eindlyk al zyn gal tegen dezen overwinbaaren Generaal uirgefpoogen te hebben, begint hy hem te tergen, te farren, te verachten, te vernederen, door hem te zeggen, dat hy op Zig zeiven niets vermag, maar dat hy alles doet door het bellier van eene hoogere magt:

„ Ontmcnschte wreedaart! — zacht', — 'k zou Gods bevelen hooneu, „ Neen — Dood! — gy voert den last van 't Opperwezen uit — „ Van hem, die hel en graf door zynen arm ontfluit, „ Om aan den werreldling zyn (Irenge wraak te toonen,

1, De zonde wapent u met die verfchriklykheên, „ Waar door gy 'tltoutfte hart doet in de fchoenen zinken; „ De zonde doet uw fpeer dat bloed zo greetig drinken • „ Van haar hebt gy uw magt op hoog bevel ter leen:

„ Woedt vry eu hier en daar vul onze firaat met lyken.

(onze firaat , waarfchynlyk de pieter depoep-fleeg van den Olymp des dichters.)

„ Voorzie u flegts van vuur, van water, lucht en aard, (flegts,) dus in het geheel van geene andere hoofdfloffen hoegenaamd, noch van iets, hetwelk buiten behulp van deze beuzelingen gemaakt kan worden.)

„ Ryd met een losfen toom (leeds voord op 't faali paard, ("tfaale paard.) Wy kennen den paardenflal des Generaals niet van naby; do? waarfchynlyk heeft de dichter hier gezinfpeeld op het vaate paard, uit het ryfchool op Patmos.) „ En laat uw fiere magt aan al het aardryk blyken! —

,. Haast — 6 verrukkend licht! — haast ryst dat morgenrood, „ Waar op gy zelf in 't eind, den jvngjlen fnik zult geiven. Hier wordt aan den gehaaten en doemwaardigen vyand dus zyn aannaderend lot voorfpeld; dog in den laatften regel van dit verheven dichtftuk is hy reeds voor zeventienhonderd jaaren overleeden.

„ Gy zelf — o Dood — zyt dood — gy zyt aar, 't kmysgefiorvtn! — — Inunc, ride nobiscumX —.

Ll 3 , Jrt. n\

Sluiten