Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

G. ForRer, Reifen in den jaare MCCXC. /. D. 7

onder die oppervlakte, welke wy bewoonen , loodregi neder tedaalen; dog deze arbeid is overgebleven voor Iaater nakomelingen, wanneer dezen, gelyk onze wysgeer, m de^ vlucht zyner verbeelding tot de toekomst doordringende, zeer fchilder. achtig aanmerkt-, „ wanneer dezen, enkel uit hoofde van den eeuwigen vrede, niet weten zullen, wat zy met hunnen tyd en hunne vermogens zullen aanvangen.» — Het °veri^* J?11 dezen brief behelst eenberigt wegens het uitmuntend Keurvorftelyk Kabinet der Natuurlyke Historie te Bonn, weik, fchoon m t aangelegd volgends de orde van eenig zamenftel egter veele kostbaarheden en zeldzaamheden bevat, vooral mt het ryk der mynftoffen, enzeerveele verfteeningen, «md«~»t£ „eel van Duiffteen indedaad zeer merkwaardig is Dit alles beS de fchryver met eenen ernftigen blik oP de toenemende befchaaving des menschdoms, die zo wel getuigt van zyne wys. geeripe kennis, ais van zyne menschlievende gezindheden.

Ongemeen fchoon en fterk, met all' het vuur , welk aan des egten kunstregters verbeelding eigen is, drukt de fchryver, ui den vierden brief, het ontzag en eerbiedwekkend gevoel uit, «elk de befchouwing der Dom-kerk te Keulen x» hem veroorzaakte , als een gebouw der volmaakt Gothijcke bouworde , «elke zig aldaar in alle haare kracht vertoont, en eene zo verhevene aandoenine by den kunstkenner te weeg brengt, als immer de anderzins overtreffende Griekfche bouworde zou hebben kunnen doen,en dat nog wel in een gebouw, dat onvoltooid gebleven is, Het gezigt van all' dit grootfche gaf hem, vervolgends, eene natuurlyke aanleiding tot de overweging der befchaafdheid van den kunftenaar, zo wel ten aanzien van Beeldhouw- en Schilder-kunst, als van Dicht- en Schouwfpel kunde, en welker ideaalen (de waare fchepping van afgetrokken denkbeelden in het vertuid van den kunftenaar) de fchryver zeer juist afleidt uit aen bovennatuurkundigen rykdom, dien dezelve door eene onzydige befchouwing der Natuur ^gen heeft, vervolgends overbrengt, en vermengt met het ftelfel zyner ge. waarwordingen en overdenkingen, en eindelyk uitftort over alle zyne werken. Op deze wys fchept hy eene volmaaktheid afgeleid uit enkele fchoonheden der natuur, en tot eën gehee verenigd* eene volmaaktheid, welke in de leevende natuur wel „ergends 'voor handen is, maar aan zyn vertand ffloge yk toe< fcheen, alzo trapswyze ontwikkeld, en wel zo zonderling gewyzigd is, dat hy haar zelfs zinlyk heeft weten medetedeelen. Dus kiest hy het treffendfte uit het uitmuntende, het edelfte uit het edele, het fchoonfte uit het fchoone, ten einde, „ un deze „ uitgezogte beftanddeelen , de kinderen zyner verbeelding in A 4 » l0*

Sluiten