Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< *8 >

moeder andwoordt, zij moet haar belijdenis bij hem leeren Nichtjen! •

ik. En daarom moet gij hem altijd hooren b et h j e n?

zij. Ja, het is naar genoeg, ik verfta hem geen woord , hij preekt altijd van zulke ouwe dingen.

i k. Van welke dan ?

zij. Och; ik weet het niet — van beesten en gezigten , die de profeten plagten te zien, ik heb 'er eens een geheelen nagt angftig over liggen droomen — waarom preekt hij niet, dat wij allen verftaan ?

Haar vader glimlachte, doch moeder vatte het woord öp. » Het is dat gij te dom zijt bethjen! ■ De

„ Domine is een geleerd man. Wat heeft uw broeder een „ fchoone belijdenis bij hem afgelegd j AI de ouderlingen „ hebben 'er over geroepen! nooit hebben zij de Remonftran„ ten, Arminlaanen , Saciniaanen, Mennoniten en Lutheraanen

„ zo hooren wederleggen. Zij zag Zoon met een groot-

fche vergenoeging aan. ,, Ik heb ook wat te leeren gehad (andwoordde deze) „ Die ketters hebben mij geheele nagten '„ doen opblijven!

j k. Naar welk boekjen hebt gij uw belijdenis gedaan ?

keef. Naar dat fchoone ftukjen van he lle mi roek:

i k. Hadt gij dat geheel in 't hoofd ?

neef. Dat denk ik wij waren onder ons vijven —

ik heb gehad van 't Werkverbond en over de Nederdaaling ter hellen.

ik. Was dat uwe geheele belijdenis van den christelijken godsdienst? neef. Ja Nicht!

1 k. Gij verftaat dan onzen christelijken godsdienst"?

neef. Gave dit God! noch het boekjen van hellenbroek noch den christelijken godsdienst.

ik. En gij een lid, een belijder, een voorftander van den waarea christelijken godsdienst?

weet

Sluiten