Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

algemeene-monarchie naderden, en, met de fchatten en pragt van Griekenland en Klein-Afien bekend geworden, de oudvaderlijke wetten tegen de weelde van tijd tot tijd lastiger begonnen te worden, floegen de Volks-tribunen Fun danius en valerius aan het volk voor, de Oppifche wet aftefchaffen (8).

,, Onder het burgeraeefterfchap van Q. Faet us en A. Sempronius namelijk, toen de Punifcbe oorlog op het heftigfte brandde, had L. Oppius de volgende wet gegeven. De vrouwen mogen niet meer dan een halfonce gouds op haar ligchaam hellen, geen veelverwig kleed dragen, en <:och in de oude, noch in de nieuwe ftad, noch op eenige andere plaats, binnen de duizendfchreden van Komen gelegen, in een koets rijden, uitgenomen bij godsdienftige plegtigheden (9)".

„ TeCS) Zie Livius libr. XXXIV. Cap. 1. fq. (9) Eene halve once gouds bedraagt, naar de Lisle, oratrend twee Karolinen. De veelverwige kleederen (vefiimentum verjitohf) hebben, gelijk Duker reeds heeft aangemerkt, hare betrekking voornamelijk op de buitenlandfche kostbare Itoffen, maar vooral op de purpere bloemen en kranfen, waarmede de kleederen geboord waren, 't Geen hier door oude en nieuwe Stad vertaald is, hebben veele uitleggers van Livius misverftaan. In urbe oppidove ftaat 'er : het oudfte deel der Stad, waarin de Mms Capitolinus et Pslatinus lagen, anders urbs quairata genoemd , niet hier appidum, en het pieuwaangebouwde deel, urbs. Men zie Adlers befikm'Jung der §t. Rom,f; 7. Bij de verboden koetfen

denk?

Sluiten