Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§.ioio. I)E BEROERTE. 523

vatjens vernietigd worden (ziet §.55.)? en het bloed te veel flymachtige koude taayheid heeft, hier door is by hun de beroerte , door deeze oorzaak ontftaan, vry dikwerf; en Hippocrates (d) de ziektens der oude lieden opnoemende , heeft veele kwaaien fraay aangetekend, welke zodanige beroerte gewooniyk voorafgaan; want hy fchryft aldus : de oude lieden hebben een moeilyke ademhaling^ en hoestende verkoudheid, droppel pis, moeilykheid in 't water maken , pynen der ledematen, graveel, duizelingen , beroertens , een kwaade lichaams gefteldheid, jeukte over V geheelelichaam, wakingen, vochtigheid der aftgang, oogenen neus, doftheid van't gezicht, graauwöogig, zwaar van gehoor.

Maar ook de zwartgallige kwaadzappigheid kan het bloed onbekwaam maken , dat daar uit de behoorlyke hoeveelheid der geesten afgefcheiden worden, want alwaar in het bloed het beweegbaarfte , door welke oorzaak ook eindelyk vervlogen, het onbeweegbaarfte vereenigd gelaten heeft, als dan beginthetbloed taay te worden, wel niet door een ontftokene vastklevendheid , -maar als door eene peckachtige, die uit eene olieachtige, vast* houdende, en aardachtige ftoffe van het bloed beftaat, welke te zamen zeer fterk verbonden zyn; gelyk naderhand breder in 't Hoofdftuk der Droefgeestigheid, zal gezegd worden, wanneer na zodanige zwartgallige vasthoudendheid het geheele bloed befmet heeft, als dan begint het fomtyds in de hersfenvaten vast te zitten, en maakt de zelve aderfpattig , door ze uittezetten ; dus worden de kleindere vaten te zamen gedrukt, wanneer tevens zodanig bloed, nochte bekwame ftoffe bevat, om de geesten af te zetten , nochte gemakkelyk het vochtigere loslaat, ftyf aan het dikkere vastzittende, waar door wy zien dat in de verouderde droefgeestigheid, de omloop der fappen alleenlyk noch maar gefchied door de grote vaten , met een langzame pols, koude van byna het geheele lichaam: zy eeten nauwlyks, zy drinken nauwlyks, en leggen dom, door geene zorgen meer ontroerd, daar

zy

00 Aphor. 31. Sect. III. Charter. Tom. IX. pag. 128.

Vvv 2

Sluiten