Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL. 27

Dit is ook de eenigfte troost, die mij de hemel, in mijn ongeval, aan kan biên ,

Anders zou ik onmogelijk de zwaarte van mijn ongelukkig lot kunnen verdraagen, COENRAAD zijn moeder bij herhaaling kusjende.

Pag lieve moeder, dag goede vrouw, hoe vaar je al? hoe heb je 't? ik merk an je klaagen

Dat je niet meer onkundig bent van het geen ons overgekomen is.

CORNELIA.

Och zwijg 'er van, of 't zal mijn verftand krenken! ik voel dien flag maar al te gewis.' "COENRAAD zijne zusters beurtelings kusfende.

Dag Fij lief, hoe heb je 't al meisje? en jij mijn lieve kleine Aal ?

FIJTJE,

Arme Coenraad! ongelukkige jongen! wat een akelig» welkomst groet, wat een fmeitelijk onthaal

Ontfang jij hier van ons allen, wie hadt dat ooit kunnen vermoeden?

COENRAAD.

Maar heb je niet wat brood in huis, om deze gasten hunne leege maagen te kunnen voeden?

Die arme kaerels hebben, in geene twintig uuren, iets genuttigd, tot verlterking van het hart.

CORNELIA.

Maar Cotntje, denk je dan niet om je zelfs ?

COENRAAD.

Ik kan niet eeten, 't is of mij, door innerlijke fmart,

De maag geflooten is. .

FIJTJE

Sluiten