is toegevoegd aan uw favorieten.

Werken van het dicht- en letterlievende genootschap onder de spreuk: Studium scientiarum genitrix.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELDICHTEN. 65

Hij wenscht, al geeuwend', naer het eindigen der dagen;

Zijn boezem zwelt van toorn, als de uchtend wederkeert. De zon moge, als op nieuw, hem Wéér in 't leven wekken,

Zij deelt aen hem vergeefsch haer milde dralen mee;

Hij wackt, gelijk hij flaept — ontwijkt zijn legerfteê, Om zijn' natuurgenoot, op nieuw, tot last te ftrekken;

Zijn nutloos leven is een droom — een zwijmeling; Het uurwerk telt vergeefsch voor hem dc vlugtende uren;

Hij zwerft, gedachtenloos, door zijn'geftelden kring; De tijd, die hem ontglipt, fchijnt nog te lang te duren.

't Voorleden, 't heden, het toekomend goed en kwaed — Niets treft zijn lage ziel; hij leeft flechts om te leven;

En, fchoon zijn broeder hem met gunden overlaed', Hij 5 cn blijft gezind hem nooit iets weertegeven; Biedt hem het lot den voorfpoed aen,

Hij maekt zich van de weelde een' flaeffchen onderdaen. De ledigheid doet, vaek, 't onfchuldigst hart verdwalen; Zij is 't bcginfel van 't verdriet, Dat hem reeds aengrijpt, in 't verfchiet, En dat hem in het graf, wanhoopend, heêr doet dalen;

En wat, wat is zijn lot, in ramp cn tegenheên, Daer hij geen banden heeft, dan om die zacmtewringen? Nooit werd zijn geest bereid voor nuttige oeffeningen;

Zijne oogen dienen flechts tot tranen en geween!

E Maer