is toegevoegd aan uw favorieten.

De republikein

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D e R E P UBLI-K E IN. ïr3

'Staatkunde. Het gemeene leven en de omftandigheden ■van tijden heboen veroorzaakt , dat dit woord eenen .algemeeneren zin hebbe gekregen, waarin begrepen is •niet flechts Je inrichting van den Staat, met alles wat daartoe behoort, maar voornaamlijk de gronden, waarop de zaak zelve gebouwd is, en waardoor men over •haare waare of valfche, haare goede of kwaade zijde kan oordeelen, Dat nu deze gronden van a'lle maat•fchappijlijke inrichting en regeering, de rechten en -plichten der Menfchen , in hunne betrekking tot den "Staat, altijd gefchikte en noodzaaklijke onderwerpen zijn en blijven ter behandeling op den predikftoel, zal geen mensch van eenig gezond verftand ontkennen, die weet, hoe deze leeringen afgeleid worden uit de beginfelen eener waare en heilige zedenkunde. De Republikein zelf had reeds in No. 8. ep bladz. 70. van den invloed gewaagd, dien brave Leeraars op de algemeene waardeering der heilige Volks-rechten kunnen maaken. Juist daardoor kan hij zich zelf genoegzaam verontfchuldigen wegens zijn gebruik van het woord Staatkunde in eenen bepaalderen zin voor Staats-beftuur, of de kunst, om eenen Staat in alle deszelfs inwendige en uitwendige betrekkingen zoo te regelen, dat de wetgevende en uitvoerende macht, het finantie- enkrijgs-wezen, de handel en de fabrieken, de ambten en gezandfchappen, de tractaaten en verbindtenisfen met buitenïandfche Mogendheden enz. in een regelrecht verband ftaan tot de welvaart van alle Burgers te zamen genomen , en tot ieder hunner in het bijzonder. In dezen zin, die even zeer door het gebruik gewettigd is, oordeelt de Republikein, dat de predikftoel niets gemeens heeft met de Staatkunde, omdat alsdan de godsdienftige vergaderingen , welke alleen gefchikt zijn tot aanbidding van het Opperst Wezen , en voords tot ontvouwing dier kennis, welke ieder'afzonderlijk Genootfchap van Burgers oordeelt nodig te hebben vpor zijne eeuwige belangen, welhaast zouden ontaarden in ftaatkundige clubs, en langs dien weg ligtlijk dezelfde tooneelen van kerklijke dwinglandij vernieuwen, waaraan ons de gefchiedenisfen niet dan met affchrik doen te iug denken. Zoo lang de Menfchen zich onderfcheiden in godsdienftige Genootfchappen, uit hoofde van hun verfchil over de godgeleerdheid , dan kunnen de wetten nimmer zorgvuldig genoeg zijn ingericht, om' N 2 te