Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«© DE ZEEUWSCHE

Haalt brood, en fpek, en bier. Wy gaan te faam, Naar 't arme mensch, en tragten het te laven; Maar 't blyft haar, op de tong' en wil niet door, Ook ftaat de doodfche - trek gemaald in 't aanzigt. Wy vraagen, wie zy is, en wat haar fchort? Met zwakke ftem, zegt ze, en gebrooke woorden; „ Myn man was een foldaat, — werd ziek te Goes, — „ Leed veel en lang, — Wy hebben 't all vermeesterd; — „ Nu zogt ik, te gaan werken, — fchoon zelf ziek; — „ Ik had geen brood, — 'k heb 't laatft'aan'tkindgegeeven,— „ Maar 'k was te zwak, — de hitte ftak my zoo! — „ Ik voel het, — ik bezwyk, — en lig te fterven. „ Maar Keetje lief! — Ach 't fchaapje blyft alleen! — „ 'k Heb wel een' zuster, die zou 't kind ook neemen; „ Maar ach! — hoe komt het daar? — 't heeft niemand hier» „ En dwaalt, als een verboren lam, verftooken

» Van

Sluiten