Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 19

ïeri op de uiterlijke Zintuigen , hem werkzaars zouden moeten maaken j en Denkbeelden in! hem verwekken.

Doch, wanneer Paine zegd, dat eene Openbaaring , zulks Jlegts voor de eerjle Perzóon is a dat het eene tegenftrijdigheid in Woorden en Denkbeelden zij, iets eene Openbaaring te noemen het geen ons, 't zij woordelijk, 't zij fchrificlijk van eene tweede hand word medegedeeld ; en dat de Openbaaring zich noodwendig tot de eerfie mededeeling bepaald , dan ipreekt hij te algemeen. • Alles wat ik te vooren niet wist, en dat mij word bekend gemaakt, is voor mij eene Openbaaring , offchoon ik het door de tweede of tiende hand verneem, maar, het geen men op deze wijze verneemt , is gcene Godlijke of onmiddeüjk Goelijke Opcnbaaririg. Nochtans moet zich ook eene Godlijke Openbaaring ,' niet voltrekt tot de eerfte Perzoon bepaalen , want die zelfde Openbaaring , konde kort of lang daarna , ook aan eenen tweeden , derden enz. gefchicdèn , en dus ook voor deze, Godlijke Openbaaring zijn.

Paine geloofd ,- dat niemand van hem kunne vorderen, iets , het geen geene Öpenbaaring was aan hem gedaan, op die zelfde wijze te gelooven als hij zich daartoe verplicht rekend, die de Openhaaring ontfing ; en kere daarna zegd hij ? daj?

B 2- hijs

Sluiten