Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A H" Gr S T»

AAN ODILDE,

Wïijn rijtuig voert mij heen door ruwe wintervlagen ,

Terwijl mij 't ftormend weêr door de ooren giert 'en ruischt, En klettert op 't verdek van mijn' geichokten wagen,

Die op 't geklap der zweep door ftroomen waters bruischt. De weg fpoelt voor mij wég in breede regenplasfen,

En flurpt het Hortend vocht in d'ingezakten grond} En 't oog ziet nergens heen dan drasfige moerasfen,

Waar kortlings 't zomergras op frisfche weiden ftond. De hoef der rosfen zinkt door 't veenmoer tot de hielen,

En klinkt niet meer maar kletscht in'tdoorgeweekte hal: Het voertuig klieft den klei, die vastzuigt om de wielen,

Helt over tot zijn' as, en dreigt mij met den yaj,

Sluiten