Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X.

DE ROOS en de GRASHALM.

(JLent Fabelt)

Eens fprak de Roos den Grashalm aan: „ Wijk, weg van mij, verachtlijk wezen !

Lagcht u, als mij, de wellust toe? Wordt gij, als ik, zoo hoog gepreczen?

'k Zie dagelijks een' gantfchen rei Van jonge bijen om mij zweeven,

Die, als om ftrijd, mij liefde bien, Mij vriendelijke kusjes geeven!" —

,, Goed," fprak het Grasjen, „ juigch en roem; Maar denk, wat lot u eens zal treffen!

Welhaast ftort gij verachtlijk neer; Wie zou u, wulpfche Roos! dan uit het (lijk verheffen ?

Hoe menig Schoone juigcht en lagcht, Wanneer de Minnaars voor haar knielen:

Maar ach! 't verderf waart om heur heên; Het volgt .den wellust op de hielen,

En 't arme Meisje, ontbloot va'n eer,

Vindt fchoonheid, deugd, noch minnaars wéér.

XI.

Sluiten