Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EESCHAAVING TOT DE LICHAAMLIJKE KRACHTEN. 235

de Wijsgeer , wat tot inftandkouding van zijn wezen noodig was, en zie daar zijne behoeften vervuld. Dit klinkt yoor het gehoor zeer fchoon: maar is het wel waar , dat hiermede alle behoeften vervuld zijn. ? Is 'er in het .menschlijk hart niet nog eene zekere rustloosheid , eene zekere ontevredenheid , een zekere trek tot genot, die altijd te fterker werkt , naar maate de Mensch ledigef en werklozer is ? Moest deze trek, in den geheel en al ruuwen Mensch, ook niet werken, en bij hem wel zooveel te fterker, als hij, minder in behoorlijke bezigheden, zijnen ledigen tijd wist doortebrengen ? Het is door dezen trek , dat hij den ruuwen Natuurllaat verliet; het is door denzelven trek, dat wij, nog dagelijks, tot alle ondernemingen worden aangefpóord ; maar het is, ook , door dezen trek , dat de Mensch, in welken ftand hij zich ook magbevinden, nooit vergenoegd, nooit volkomen gelukkig zijn kan. Deze ontevredenheid , die een groot deel van ons ongeluk uitmaakt, had de Mensch , in den ruuwen natuurftaat, met den. gecultiveerden Mensch gemeen. Voor het overige had hij minder rampen , hij kende ook minder geneugten; had hij niets van de onaangenaamheden van het maatfchappijlijke leven , hij wist ook niets van deszelfs aan» genaame gezelligheid." Men kan van den Mensch in den ruuwen natuurllaat zeggen , dat hij, even als' een plant, groeit , van den Man in eene gecultiveerde maatfchappij , dat hij leeft , geniet, en lijdt» D set hier bij, dat de menschlijke ellenden, zich fteeds zwaarer vertoonen aan de verbeelding van

q a llun*

Sluiten