Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'SWAER.ELDS BEWOONERS.

Antw. Allerwegen; maar bijfondcr in de Godgewijde Liederen van den Koninglijken

en andere Heilige Digteren. Het lij thans

genoeg, twee feer uicftekende plaatfen uit het Boek der Pfalmen aantehaalen. Pfalm Civ, vers 27 en 28. Sij allen wagten op «, dat gij [ken] hunne fpijfe geeft te fijner tijd. Geeft gijfe hen, fij vergaderenfe; doet gij uwe hand open, fij .worden met goed verfadigt. Bij herhaaling word defe ftemme des gejuich? opgeheven, in den cxlv Pfalm, met eene ophelderende bijvoeging eener nadrukkelijke fpreckwijfe, vers 15 en 16. Aller oogen wagten op u; en gij geeft hen hunne fpijfe te fijner tijd. Gij doet uwe hand open, en verfadigt al wat daar leeft, [naar »] welbehagen.

Vraag. Staanwe een korte wijl ftil bij de laaste -fpreekwijs: Is het niet een tastbaar bewijs van des Grooten Scheppers onbegrensde Almagt, dat hij foo veel duifende monden van al wat daar leeft, van Menfchen en Beesten, in fuik eene wijduitgefirekte Dierelijke Waereld, over alle deelen van den Aardkloot verfpreid, van het nOodige Voed, fel en fpijfe kan verforgen ?

Antw, Men kan 'er fich niet genoeg over verwonderen, Overal is fp/js genoeg, felfs fn de onvrugtbaarfte plaatfen des Aardrijks, voor foo een ongelooflijk getal van Menfchen

Sluiten