Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•swaerelds bewooners. 233

fchen en viervoetige, Vogelen, Visfchen en bloedeloofe Dieren.

Vraag. En onder die groote verfcheidenheïd van Spijs en Voedfel, is het niet mede een onweerfpreekelijke blijk van Gods onuitputtelijke Wijsheid en gadeloofe Goedheid, dat het noodfaaklijkfte, nuttigfte en gefondfte Voedfel voor Menfchen en Beesten, tevens ook het algemeenfte en menigvuldig ft e is?

Antw. Gij bedoelt fekerlijk het Gras, van den Wijlen en Goeden God gefchikt ten dienfte voor het Vee, en het Graan ten dienfte voor den Mensch. De Dieren die Gras eeten fijn veelen in getal, en fij verfiinden daar van eene groote menigte; daarom is de ganfche oppervlakte van de Aarde bijna, met Gras bedekt; om niet te fpreeken van andere heilfaame kruiden tusfchen in het

Gras. Het komt uit de natuur genoeg

voort, fonder dat het behoeft gezaaid te

wordcn. Voor den Mensch is het Graan

van het meeste nut en het gefondfte voedfel. Hoe gemakkelijk kweekt men het aan, en hoe overvloedig-is de Oechts, die men 'er van vergadert in de fchuuren? Deswegen mogt de Koninglijke Digter, ten prijfe van Gods , Wijsheid en Goedheid wel fingen, Pfalm xxxvi: vers 6 en 7. O heere.' uwe Goedertierenheid is [tot] in de Hemelen; uwe waarheid tot de hovenjle wolken W-heere» P 5 &

Sluiten