is toegevoegd aan uw favorieten.

De gronden der natuurlyke rechtsgeleerdheid.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Grimden der

Een ingefchapen onderlinge trek en genegenheid, (Sympathie) doet ons den voor- en tcgcnfpoed van onze medemcnfchen op eene zeer fnelle wyze tot ons zelvcn overbrengen, even als of* bet ons zeiven betrof, en gevolgelyk brengt die ook te weeg, dat wy met den blyden, bly, en met den bedroefden bedroefd zyn.

De natuur heeft ons ook daarenboven een" indruk gegeven van de beminnelykheid der goedertierenheid, en dóet ons met groot vermaak die daden befchouwen, die op dat grondbeginzel fteunen. De goedertierenheid is eene werkzame en beftendige neiging der ziel, om vermaak te zoeken en te vinden in de befchouwing en vermeerdering van een anders wezenlyk "geluk.

Het afbceldzel van zodanig eene goediiartigheid in eenig mensch, heeft eene zekere aantrekkings kracht, Terftond wekt het .onze aandagt op, verftigt die op het goeddoende voorwerp s bekoort ons, en Verfpreidt de aangenaamfte gevoelens in onze Ziek Dit alles gefchiedt niet door eenige redcnkavcling; maar wy gevoelen op het ©ogenblik, dat wy eene goedertieren daad of woord nadenken, eene aangename zielsgefteldhcid, welke daar uit alleen ontftaat, zonder dat er iets anders deel aan heeft.

Het denkbeeld van boosaartigheid daar tegen Verwekt een1 aanhoudenden afkeer in ons gemoed. Daar in tog zoeken wy vruchteloos iets, dat aangenaam, genocglyk, of bchaaglyk zy.. De gedagte daar van kunnen wy niet, dan met moeite verdragen , en het inwendig gevoel overtuigt ons, dat zy ons noodzakelyk mishagen moet, en by gevolg, ftrydig is met onze

na*