Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

148 De waare aart van Jefus Koningrijk, derwnphjg gez{en wierd; fchoon men 'er van kon verzekerd zijn, daar Hij, nu reeds, met eer en heerlijkheid bekroond, gezeten was, aan Gods rechtehand (Y). Eu vraagt men, wat hier nu te verkiezen zij? Wij antwoorden: in het 5de vs. heeft ons Paulus uitdrukkelijk geleerd, dat de magt, o'-er de toekcmflige wereld, (toekomjlig, met betrekking op de voorzeggingen, die deszelfs ftaat en gefteldheid hadden opgeteekend, gelijk hij zulk eene befchrijving aanhaalt, waar in die onderwerping, door God gefchied, wordt voorgefteld (O,) niet aan Engelen gegeven was: waar op nu volgen moest, maar aan den Zoon; doch het welk hij liever, door bet aanhalen van eene oude voorzegging, bevestigen wil; waar in dus van de Heerfchappij des Zoons, (niet, van die der menfchen,) moet gefproken worden: waarom zij, die anders denken, ook genoodzaakt

(0 Zie mijnen waardigen Ambtgenoot G. Bonnet, in zijne verklaring over die plaats; en merk tevens op, dat Sofy xccl ripv) gs<pscj/ov<r6xi, met eer en heerlijkheid bekroond te worden, hetzelve is, als tsXziovg&xi, volmaakt te worden, vs. 10. V: p. VII: u3. verg. met VIII: 1. in welke plaatzen, het overal van den volmaaktlten trap zijner heerlijkheid, die in zijne zitting aan Gods rechtehand te vinden was, veiftaan wordt.

CO Dit onderwerpen ziet dan op de bepaling, door God te vooren gemaakt, en in de H. Schrift geopenbaard. Verg. Gal. III: 30., alwaar Gods bepaling, in de H. Schrift geKaakt, tot de Schrift zelve gebngt wordt.

Sluiten