Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van den heer BAILLY. 227

graaden valt ! Men ziet, dat de twee, gemelde kunst-kouden in eene veel fterkere evenredigheid zyn, dan die der verfchillende maatigingen van den Dampkring 5 wat zou het dan zyn, zo deze grootere evenredigheid eveneens plaats hadt hl de proefnemingen, die men in Siberië mogte doen? maar ondcrflellcndc, dat de uitwerkzelen alleenlyk Waren in de evenredigheid van die« welke uit dc proefneming der Rusfen fpruiten, zoude men eene koude van byna veertienhonderd graaden kunnen maaken. Laat ons wél in aanmerking nemen, myn Heer* dat deze koude niet het werk der Menfehen is, de poogingen van de kunst doen dezelve alleenlyk tc voorfchyn komen. Het ftaat niet in onze magt eenige, de allcrminfte, warmte te fcheppen; het ftaat even weinig in onze magt, de natuur te doen vallen tot eene verkouding , die haar niet toekomen zoude; en dus, door de lighaamen van een gedeelte hunner warmte te berooven, weten wy, dat wy dezelve niet uitputtem

De Heer de mairan, die de volftrektc koude op duizend graaden onder het vries» punt heeft gefteld, heeft derhalven niets te Veel onderfteid; dc Heer de buffon denkt zelfs, dat deze term tot op tienduizend zou kunnen verfchoven worden. Inderdaad* myn Heer , kan men denken , dat de kunst de volftrekte koude zal voortbrengen, daar de Natuur niet toe komen kan dan door eenë lange agtervolging eener onmerkbaare Vermindering? Wy zyn gewend onze werkert altyd beneden de haare te vinden, cn wy P 2 kun'

Sluiten