Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B IJ L -A G E ti,

armen kermenden ingezeetenen ten minften nitftel te geven, eh het bevel ter Iaatfte verpanding in te trekken, Iagchte hij hard op en zeide: „ Mijn Heer, gij zijt een oüd wijf. 'Laat „ die kanaljes naar den duivel lopen. Ha, ha, t, ha ha! Gaerne zag ik dat geipuis; maakt de „ verpanding zoo ftreng mogelijk, En afs de „ honden geheel ukgekleed zijn, komt dan we» „ der, en vermaak mij met de beïchrijving en „ zoo een traantje. Ik mag het zoo gaerne „ zien dat de menfchen zoo weekhartig zijn." Nu Iagchte hij nog eens luidkeels, en beval den Amptman te vertrekken.

Nooit is mij een duidelijker voorbeeld- van menfchenhaat voorgekomen. Maar ik ben zeker dat deze affchuweïijke neiging niet natuurlijk Was. Want eigenlijk is zij met de menfchelijke natuur-völmaakt ftrijdig. Zijn hoogmoed had dezelve -voórtgébragb. en .aangekweekt. Want dewijl hij zoo buitenfporig van zijne perfoonelijke waarde dagt, was;'t gantsch uitgebreid heelal niet in ftaat hem te vergenoegen. Hij befchouwde al het geld, alle eer, alle gezondheid, met<e'6h woord alle goederen der aarde, die hij in de handen van andere menfchen zag, als een roof, die aan /^«z.gefchonken was. Hij werd 'woedend als hij zig 't onwaardig fchuim van'tmenschdom voor den geest bragt, onder het welk hij, zoo diep beneden zijne (zoogenaamde) verdienfte-, leven moest. Hij haatte God en

men-

Sluiten