Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sterven. stigten.

5-9

j, dat, gelijk één voor allen geflorven is, zij „ dan allen geflorven zijn, 1 Kor. V. 15;" uit welk alles de Apostel geduurig deeze leering trekt, „ dat zij (de Christenen uit „ het Joodendom voortgekomen) voortaan „ niet meer aan de eifchen van de Wet ge„ bonden waren, maar dezelve, gelijk ook hunne voorige zondige leevenswijze, ge„ heel waren afgeftorven."

STIGTEN is, even gelijk het Griekfche èiKoSbusa, ontleent van het bouwen of ftigten van een huis, en ziet daarom zo wel (fchoon wij het Nederduitfche woord niet in dien zin gebruiken) op uiterlljken aanwas, als op de toeneeming in zedelijke volmaaktheid. Aldus komt mij voor, dat men,

Hand, IX. 31, De Gemeenten dan hadden vrede en werden gestigt (opgebouwd), van „ den uiterlijken bloei en aanwas der Gemeen„ ten" te verftaan hebbe; 't geen als een gevolg van den vrede (bevrijding van vervolgingen), die zij genoten, moet aangemerkt worden. Het is gelijkluidende met het terftond volgende: Zij werden vermenigvuldigd. Aldus ook 1 Petr. II. 5, alwaar voor geftigt ftaat gebouwd.

Meermaalen wordt het, gelijk ook het zelfftandig Naamwoord Stigtinge, in een zedelijken zin, van den aanwas der inwendige verbetemig genomen. Aldus zigzelven, 1 Kor. XIV. 4; eikanderen, 1 Thesf. V. 11; de Gemeente, 1 Kor. XIV. 4, enz. stigten; dat is, ,, nuttig zijn; fpreeken tot aan3, was, bevordering en opbouw in de God-

„ za-

Sluiten