Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DER ZEDEKUNDE.

357

VAN GODS ALWEETENHEID EN OVERALTEGENW0ORD1GHEIQ.

I.

Een arme fchoorfleenvegers jongen moest op het kasteel van eene Princes den fchoorfteen vegen in het vertrek, 't welk zy bewoonde.

Toen hy was afgeklommen tot op den haard, vond hy bet vertrek ledig, en bleef hierom een poos ftaan, om zich te vermaaken met het gezicht van dïe fraaije zaaken, welke in dit vertrek waren.

Allermeest fchepte hy behaagen in een goud horologie, 't welk met diamanten bezet was, en op het toilet lag. Hy kon zich niet onthouden, om hetzelve in de hand te neemen ; en nu kwam de wensch by hem op: „ ach, had ik toch ook zulk een horo« ,, logie!"

Eenen kleinen poos daarna dacht hy: „ hoe! „ als ik 't eens mede nam!, — maar foei, „ dan was ik een dief!"

3, Maar het zou immers niemand weeten ,* Z 3 dacht

Sluiten