Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DER ZEDEKUNDE^

359

terwyl alle leden aan zyn geheele ligchaam beefden. „ Wil ik?" —

Maar zou ik dan niet al myn leven een „ fèhandelyke knaap zyn ? Zou ik wel ooit we Ier gerust kunnen flaapen ? zou ik wel " ooit iemand wederom vry in de oogen „ kunnen zien ? " -—•■

't is wel waar! Maar ik zou

toch op eenmaal een ryk mensch zyn; ik " zou koets en paarden kunnen houden ; ik zou fraaije kleederen kunnen drogen; ik " zou alle dagen overvloed van eeten en „ drinken hebben!"

En indien ik dan nu ontdekt wierd ? — ,, 'maar hoe «jou ik kunnen ontdekt worden? „ Het ziet immers geen mensch?—" ' „ Geen mensch ? *h4 Maar ziet God het „ 'dan niet, die in alle plaatfen tegenwoordig is? — Kan ik wel ooit wederom tot hem bidden, wanneer ik den diefftal zal „ begaan hebben ? Zou ik wel gerust kunnen „ fterven?"

Ey deeze gedachte overviel hem eene koude rilling. „ Neen! zeide hy, terwyl hy de „ diamanten wederom neêr wierp; liever arm „• en een goed geweeten , dan ryk en een Z 4 » b00s"

Sluiten