is toegevoegd aan uw favorieten.

Grondbeginselen der zedekunde in aangenaame verhaalen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44$ CRONDfiEGINSELES

Het kaartengeld, 't welk zy zich deed betaalen , wanneer zy een fpeelparty had , nam zy voor zich • zeiven , daar het anders aan de dienstboden behoort; zy liet ook de ge. bruikte kaarten eenige maal befnoeijen, en voor nieuwen op de tafel leggen. De dienstmaagden kwamen zomer noch winter in geen kamer. De haard was hunne tafel. In de keuken kwam Mevrouw niet, dan om hun het brood voor te fnyden, de half gaar gekookte fpys afteweegen, en alles, wat eetbaare waare was optefluiten. Zy merkte naauwkeurig op, hoe veel vleesch 'er nog aan elk been bleef, 't welk van tafel kwam. De gewoone aanfpraak, waarmede zy haare bevelen gaf aan de dienstboden, was: hoort gy, vrouwmensch! doet op het oogenblik dit of dat, en voort aan uw werk; zet de luije beenen voort, dat ik u niet te vergeefs de kost geeft. Had een van hen iets mis. daan, dan fchold zy ; fielt! fchendbrok! dagdief! en andere leelyke woorden, welke fatfoenelyke menfchen in 't geheel niet kennen. Zy floeg zelfs naar de menfchen, gelyk een tomeloos paard, 't Geen van het huisraad gebrooken of anderszins bedorven Ee s wierd,