Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

51<3 grondbeginselen

der groote zee. Alles, wat rondom hem was, lagchte hem toe. De geheele hemel wierd door de ondergaande zon met de bekoorlykfte kleuren befchilderd, welke zich inde zee fpiegelden. Alles, wat leefde, fcheen het verrukkelyke van den avond te gevoelen. De wilde eenden en duikers fpeelden op het water rond, duikten naar heneden, en kwamen wederom te voorfchyn. De ooijevaar flapte met deftige fchreden langs den oever; de kivieten zweefden door de lucht, en riepen: kiviet! kiviet! Maar dit alles kon den Heer fielding niet hekooren, want hy was juist beezig om uit te cyfferen, hoe hoog een kanapee met ftaale vêeren zoude komen te Haan.

Eindelyk echter wierd hy gefloord in zyn gepeins, door eene ftem ,die luide en vrolyk zong. Hy zag om, en ontdekte eenen ak^ kerman, die op zyn paard zat, van zynen akkerbouw naar huis reed, en zo vergenoegd •was, dat men in zyn gelaat ook niet de min* fte blyk van mismoedigheid ontdekte. Hier* over verwonderde zich de jonge fieldikg, wenschte hera eenea goeden avond, en vraagde,.

Sluiten