Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DER ZEDE KUN DE*

vrouw heeft my lief. Zoude ik my dan niet gelukkig achten?

fielding ging vol van gedachten heen, bedankte den man hartelyk voor den genooten maaltyd , en dacht by zich - zeiven: ben ik niet een zot, dat ik geloofde, zo veel te moeten hebben, om gelukkig te zyn ? Die man had immers niets van al dat geene, 't welk ik wensch, en was evenwel zo gelukkig zo vrolyk, als ik misfehien nooit

worden zal, al ware het, dat ik alles verkreeg , wat ik begeer. Ik zal heden beginnen gelukkig te leeven, ik zal het weinige 't welk ik heb, genieten, daarmede vergenoegd zyn, en niet treuren over 't geen my ontbreekt. Hy deed 't, en was gelukkig, fchoon hy nog even zo arm was, als den vootigen dag.

II.

„ De huishuur heb ik betaald tot nieuwe„ jaar toe, brand heb ik byeen gefleept, „ ook ontbreekt 't my niet aan bladen en „ hooi voor myne geit; de aardappelen en

„ het

Sluiten