is toegevoegd aan uw favorieten.

De apokryfe boeken.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JUDITH.

, ,, zal. — Staat gijlieden, dezen nacht, bij , „ de poort, dan zal ik, met mijne dienst. „ maagd, ter ftad uitgaan, en binnen die da, „ gen, in welken gij beloofd hebt, de ftad aan onze vijanden te zulien overgeven, zal „ het Opperwezen Israël, door mijne hand, „ bezoeken.— Onderzoekt Hechts mijn voor„ nemen niet, alzoo ik het u niet zeggen ,, zal, voordat mijn ontwerp, dat ik gemaakt , „ heb, voltrokken is."

Daar op zeiden ozias en de Stadsbevelhebbers tot haar: „Ga met God! de Heere, „ onze God, ga voor u heen, tot wraak „ over onze vijanden!"

En nu keerden zij weder, uit hare tente, en begaven zich, elk naar zijnen post.

9. judith bidt God, dat haar aan/lag haar moge gelukken.

Maar judith viel op haar aangezicht nej der, hebbende asfche op haar hoofd geftrooid, ; en het treurgewaad ontblotende, dat zij aanj hadt. Het was nu de tijd, dat, te Jerufa1 lem, in den Tempel van God, het reukwerk 1 van dien avond geofferd werdt. — judith riep, met luide ftemme, tot het Opperwe. zen, en badt aldus:

ti O Opperheer! gij God van mijnen ftam„ vader simeön! wien gij het zwaard in han , „ den hadt gegeven, tot ftraffe dier vreemde P 5 » vo1"

Hoofdjl^

vin.

VS. 2$.

3<>N

Hoofdjl^

IX. vs. u