Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. BOEK. 153

over 't hoofd. Dan, mijne toegeevenheid

verergerde flegts zijn kwaal. Hij misbruikte dezelve in 't eerst, en naderhand begreep en beweerde hij, dat hij recht had,om mij allen mooglijken afbreuk te doen. De gierigheid is eene invreetende kanker, waarvan men niet geneezen word dan door den dood.

Zes jaaren agter een had ik die reeds verdraagen. Mijn ziel begon 'er eindlijk verdrie-* tig onder te worden. De voorfpoed deed mijn trotscheid den kop niet opfteeken. Met liefde zou ik den man gediend hebben, had hij mij flegts het leeven niet bitter gemaakt. In mijne eenzaamheid vloeiden mijne traanen en drongen mijne zugten en jammerklagten tot voor den troon des Almagtigen. Te vergeefs zogt rachel mij op te beuren; te vergeefs beproefde zij het, om het ftug gemoed, of liever, om den opgevatten wrevel haars Vaders te verzagten en den nijd haarer Broederen tot reden te brengen. Daaglijks waren 'er nieuwe kwellingen, nieuwe verfchillen en nieuwe flof tot vervreemding, tot haat en vijandfehap.

Eens, na dat ik mij in de bitterde vlaag van droefheid had afgetobt en in een diepen flaap was gevallen, zag ik in mijn droom, de Hemel geopend. Een heerlijk licht omfeheen K 5 mij.

Sluiten