Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

526 VADERLANDSCH

qucst over den uitvoer van hooi, en de commandant van het loflyk genootfehap van Appingadam zelfs, gedagvaard, cn gevonnist. Onder alle de, in het oog loopende , onregtvaatdigheden, door het hof in de vonnisfen over deeze zaak gepleegd, was niet van de minftc, dat het niet alleen niemand ftrafte van hun, die de feiteïykheden op 11. feptember 1787. te Appingadam gepleegd, en dus de waare aanleiding gegeeven hadden, om eene commisfie uit het hof derwaards te zenden ; maar dat hetzelve daarenbooven die geenen, welken dat oproer geftuic hadden, veroordeelde tot goedmaaking van een gedeelte der koft^n, op die commisfie gevallen , en van de fchaaden, en verdere onkosten , by geleegenheid van den gewaapendeu optogt, inval, en bezethouding vas Appingadam, gelyk het heeten moest, veroorzaakt (k). Dan de voornaamfte wraakzugt van het hof, en van de ftaatscommisfie tot handhaaving der geveftigde conftitutie , die veelszins de handen in een floegen, was gerigt tegen de braave onderteekenaars denbeide adresfen, door eenige leeden der waapengenoocfebappen op 24. april, en 30. auguftus 1787. aan de Staaten overgegeeven f7), als meede tegen eenige predikanten. Want 'shofs commisfie ontzag zig niet, om by het rapport metfde grootfte eenzydigheid, en tegen de waarheid voor te geeven, „ dat de voornaame aanleiding, zo niet de eenige bron, waar uit het kwaad voortgekoomen was, ,, vooral beftond in zeeker zo genaamd vertoog„ febrift, op 30. auguftus by de Staaten van Stad „ tn Lande ingeleeverd" (m). Ongemeen ieverig

was

(k) IV. Deel, bl. 344. e" volg., en Verf. van Jlukk. by J. ui. de Chalm. 37. deel, bl. 2:1—217., en 234—248.

(I) Van deeze twee adresfen gewaagden wy in het IV. Deel, bl. 349 .357.

(m) Dit voorwendzel ftond volmaakt gelyk met de manier, waar op in Zeeland, hy het ftaatsrapport van 12. februari 1787., zeekere aanmerking in de hifloriefchi courant, als de

groate

Sluiten