Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

as4 VADERLANDSCHE XXII. Boek;

Verdrag der Landvoogdesfemet de verbonden Edelen.

woesten handel geweest waren, en 'er nooit behagen in genomen hadden. Eenige kerkelijken fchroomden niet, openlijk te verklaren, dat zij, op verzoek der Overheden, getracht hadden de fchandelijke beeldenbrekinge te beletten; dat zij niemand onder de hunnen kenden, die daartoe raad of'daad gegeven hadt; en dac zij lijden mogten, dat over dergelijke verftoorders der gemeene ruste, ten voorbedde van alle anderen, recht gefchiedde. Wie dus vrijmoedig fpreken durft, en wel in tegenwoordigheid van rechters, moet een zuiver geweten hebben, of geoor* deeld worden fchuldig te ftaan aan de fnoodfte onbefchaamdheid. Doch dit neemt niet weg , dat eenige weinige Onroomfchen en luiden van aanzien de beeldflormerije, bedektelijk of meer openbaar, misfchien, begunftigd en aangeftookt hebben, om hun doel" wit fpoediger te bereiken.

Zeker gaat het, dat de Hertogin, deze onverwachte gebeurtenisfe vernemende, den moed liet zakken. Weinig fcheelde 'er aan, of zij zou Brusfel verlaten hebben. Door nood geperst, en om grooter oproer te vermijden, kwam zij tot het befluit, om een fchriftelijk verdrag met de verbonden Edelen aantegaan. De Landvoogdes ging dit verdrag aan, na lang beraad, op de plegtigftewijze», in 'sKonings naam, zonder daar toe van de zijde der Edelen gedwongen te worden. Zij floot, 'tis waar, dit verdrag uit vreeze voor fcrger onheil; doeh zij kon zich, om deze reden, niet ontflagen rekenen van de verpligtinge, om zich aan deszelfs inhoud te gedra-

Sluiten