Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXIV. Boek. HISTORIE. 27

wel, vanbinnen, met trotfche woorden getergd tot een' nieuwen aanval. Men befloot tot het doorfleken van den oofterdijk, waar door het land, op vele plaatfen, bevaarbaar werdt; en kon men komen tot het openen van den havendyk, dan moest de vijand dit gewest ruimen. In 't laatffe van herfstmaand, fchreef Oranje aan die van Alkmaar, dat zij , zoo de nood hooger drong, dit te wachten hadden. Wat gebeurt 'er? Deze brief valt, tegen 'sPrinfen doeL door een gunfttg beitel der waakzaame Voorzienigheid, in handen van den Spaanfchen Veldheer, die, op 't lezen van denzelven, en overwegende, in welk een vi gevaar zijn gantfche leger was, fch;elijk£ belluit, het grof gefchut te vervoeren, en 't beleg , op den achtflen van wijnmaand , geheeliijk optebreken. De belegerden vielen toen moedig uit, en floegen een goed deel volks den wijkenden vijand af. Met het hoogfle recht wordt op een' penning, die de gedachtenisfe dezer aanmerkelijke ftandvastigheid en verlosfinge bewaart, Alkmaar als eene zegehaftige ftad geroemd; gelijk de tinnen noodmunten, toen aldaar geflagen, nóch getuigen zijn der groote fchaarsheid van gangbaar geld, geduurende haare belegeringe.

De heuchelijke uitreddinge van Alkmaar zal niet weinig toegebragt hebben, om de^ moedeloosheid van Sonoij, 's Prinfen Stad-s houder in 't Noorderkwartier, merkelijk optebeuren. Want, eenige weken vroeger, fchreef hij aan Oranje een' mistroofngen

brief,

Van den

jand rlaten , :n 8 ftober.

Mismoeig fchrijen van onoij.

Sluiten