Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HISTORIE VAN DEN HEER

lig voor alles zyn; niet echter uit onverfchiiligheid, kan ik u zeggen.

Hy.. Gy zult u wel bedenken. Waarlyk , ik kan niet uit, en gy wilt immers niet zonder my gaan; vooral nu niet.

Ik. Dat is waar; doch dit moest u des te infchikkelyker maaken. Hoor, weet gy wat, ik zal u niets meer voordellen, dan zult gy ten minden het vermaak misfen van my altoos alles te weigeren , daar ik fmaak in heb. [ Ik was nooit z» verdrietig, en zei nog een heele fcheepslading gekheid. ]

Hy. Als gy niet met my fpreeken wilt, ga ik heen: anders zou ik u de voornaame reden zeggen, waarom ik dit weiger; dan dit moet tusfchen ons blyven. [ Hy fiond op; myne nieuwsgierigheid •won het veld.~\

Ik. Wel nu, zeg op; wat hebt gy er tegen ?

Hy. Gy moet daar, aan dat huis niet logeeren.

Ik. Hebt gy Vrienden, daar gy uwe Vrouw niet by hebben wilt? dat is vreemd?

Hy. Zo moet u dit zeker toefchynen. [ Hy zette zich naast my. ] Maar dat vreemde zal wel dra verdwynen ; gy zult zelf oordeelen. Gy moet niet denken, dat ik zo onredelyk ben, dat ik vermaak zoude vinden, om u ergens in te kunnen kwellen.

Ik. En gy denkt mooglyk, dat dit nu vry waarfchyidyk by my wordt? [Ik lachte.] Nu,

waar-

Sluiten