Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34a HISTORIE VAN DEN HEER

AGT- en- DERTIGSTE BRIEF.

Mevrouw alida ryzig aan den Heer wille m leevend.

myn lieve willem!

Tfëdo als ik deezen zoude beginnen, ontfingen wy de droevige tyding u bewust. Zo heeft dan, zeide ik by my zelf, dit allerbeminlykfte Meisje eene waereld verlaaten , niet in ftaat en des niet verwaardigd, om haar te kennen: eene waereld, waar voor zy , zoude onze Vrienden zeggen, maar in 't geheel niet bereekend was. Hoe « dit verlies ter harte gaat , kan ik bezeilen door den rouw, die het my veroorzaakt; en uwe gevoeligheid tot de myne ftaat wel ligt als het liefderyk hart van Johannes den Euangclist tot dat van een hedcndaagsch Apostel der Orthodoxie, als men zyn winkel tc na. komt! Ik beminde Juffrouw Roulin , en ik heb echter maar weinig uuren met haar in gezelfchap geweest, en ben niet zo gevormd om lief te hebben als gy. Hoe belachlyk zou ik my gedragen, indien ik u, met traanen in myne eigen oogen , verzogt; verlies al wat gy hebt, zyt welgemoed. Neen ,myn lieve Broer, affecteer geene bedaardheid, die niet van uwe handen zal geé'ischt worden. Beween uw verlies. Ik onderzoek

Sluiten