Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Willem lieven b. ii

6 Belcour, zy hebben geeft Lotje; zy kunnen er' geen hebben. Ach, konde ik wél iets onderdaan, wel iets verzuimd hebben, dat haar mishaagde? Konde' ik haar lief hart immer een zucht hebben, gekost? Was zy niet in ftaat, om myne heevigfte, myne gèliefdfté driften te lénigen ? Een half uitgefprooken Woord op haare lippen was een bevel voor haaren Willem. Een: zult gy daar wel veel aan hebben , myn Vriend ? een oogWenk, een afkeurend ftatig trekje in haar zielen* gelaat, eene zedige aanraaking van myne hand

en — haare reden beheerschté ook mynen

vryen wil. Dan was ik gelukkig! 6 Belcour * Belcour! Ach, voor haaren fchoot geknield, luisterde ik naar haare zagte vermaaningen ; verflond ik haar met myne oogen

ö Myne driften, hoe gcleidelyk waart gy dan. . . Dan , dagt my , Zoude ik zo hebben kunnen wegfterven.

* * *

Gcgeeten by Profésfoï Maatig. Hy vond my zeer vervallen , en raadde my , om wat meer' gezelfchap te zien. Mevrouw vroeg zeer omftandig naar de laatfte oügenblikken orizer zalige. Ik was zo weemoedig, cfat ik alleen haare hand konde drukken. Mynftem fmolt weg; zy liet my een glas water geeven. Zy was zo bewoogen, dat zy zich naauwlyks konde vergeeven, my dit ge• V. dee'<, B vraag,?

Sluiten