Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WILLEM LEEVEND. 243

zyn Boekhouder in zyn kamer komt, terwyl zyn Wyf of Meid den haart legt te fchuuren. Heftig keek als een dom Proponentekind, die in een Roomsch land het venerab'le ziet voorby dragen, en zwygen moet, dat hy barst. R.yzig, altoos de fatzoenlyke Man, 't is waar, maar die fcheen wel een Profesfor in het Natuurlyk Recht; die op zyn Collegie de kwa Jongens, alias de Disputeererïde Studenten , met een glimlach en lydzaame ftemmigheid hoort abra cadabra babbelen, en zo denkt: fnapt maar voort, ik zal uitfpraak doen , Vrienden. Dc Dames? Om te fchaatren! Pastoorfche keek met al de ernsthaftigheid van een Dominéés Vrouw, met al de nieuwsgierigheid van eene oude Atheenfche Vryster, met al de woordvolheid Van eene Franfche Kraamfrer. Myne goede dikke vette Tante, als de echte Moeder van dat kind, 't welk door 't bevel van Salomon zo terftond door midden zal gekapt worden. (Apropos, dat vonnis is toch origineel: wat was die Salomon, met al zyn zwak voor zyn drie duizend Wyven, toch een wys Man!) Myne lieve Mama, reeds bleek en wat afgenoomen, zat met al het pynelyke van dien glimlach, waar mede de half hoopende, half vreezende onmagt den Tiran vleit. Ik?'

hu, dat kun je wel denken met een gelaat?

dat in eiken trek uitriep: ook dit alles is ydelheid, ende kwelling des gecstes. Jan diverteerde zich met de pretenüon van zyne Mama, en trok geen par-

Q * fy.

Sluiten