Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WILLEM LEEVEND. 361

altoos een hoop rykelui's Kindersmeê, die niet veel Ruitten, „ Laat ik je maar onder myn vlag „ hebben, dagt ik, of ik jelui zo eens de-metten „ zal voorleezen, of ik je lui in je Engelfche„ dienst zal brengen; of ik je hii ook ereis he„ redderen zal!"— Zie, al hadden zy degens op zy, en twaalferlei rokken , daar veegde ik myn elboog aan. „ Wat Satan, zei ik, ben je „ lui te groote Sinjeurs, om God dejiHeer teloo„ ven en te bidden, je mogt den duivel! Hier jy a]le in de kajuit, zeg ik; en de eerfte, die „ zyn fmocl tot lachen vertrekt, zal ik zo hagels „ op zyn Donderement doen geeven, dat hy agt „ dagen in zyn kooi zal moeten liggen; en veel „ vieren cn vyven." Nu had ik, mot je weeten, Neef, een dronkenlap van een Dominé, of Ziekentrooster, die zo veel wist van de Schrift, als myn Wyf van de lengte op Zee. Daar had je dan 't gegooi in de glaazen met Dominé. Maar ik wist dat te klaaren. „ Hier jy, zei ik, Pro„ voost, zet dien dronken Dominé ereis in ar„ rest; tn als hy nugtren is, maak ik hem Koks ,, jongen." Toen dagten onze jonge-melkmuilen , dat er geen Kerk zou gehouden worden, maar ja, fluten ! Ik zelf las uit de Christelyke Zeevaart, en liet myn Dokter, die een fchoone Item had, de Pfalmen zingen dat het daverde; zo dat, Neef, ze waren fchoon gepypkant; en ah? zy niet met goedheid wilden, dan vloekte ik er 1. $ 59

Sluiten