Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WILLEM L E E V E N », f>

de minzaame glimlach eener lieve Vrouw vindt onmiddelyk den weg tot ons hart; en dat, o dat is geheel verrukkelyk.

Verdien ik dan wel, met zo veel verwondering befchouwdte worden, zelfs al was de Man geen Heer Helder ? Bedenkt men dan niet, dat ik onder het waakzaam oog eener deugdzaame Vriendin, leefde; wist ik dan niet, dat ook de kleinfte ongeregeldheid haar zoude bedroeven ? Bedroeven! Noem my eens iets ondraaglyker l Beminde ik myne uitmuntende Chrisje niet? 't Is waar, zonder hoop! maar vond ik in de liefde dan zelf myne belooning niet? Immers dan, als ik niet al te ver in het ryk der Natuur wegdoolde? Want, wat men ook, of uit onkunde, of uit fchynheiligheid voorwende, liefde haakt naar het beminde. Hier is het karakterifeerende der liefde, waar door zy, van de hoogde vriendfchap zelf, eeuwig onderfcheiden blyft. 't Is voorby! Nu, nu weet ik , dat ik bemind word: en nu! beftier my» geheeH lot! Kies voor my. Bepaal alles. Nu, heb ik genoeg aan uwe liefde, ó Laat ik het eens by my zelf mogen herhaalen : „ Chrisje , myn eigen Chris* „ je , bemint haaren Willem." Zy zelf betrouwt my dit dierbaar geheim. Ik zoude het mooglyk nu nog niet uit haa're oogen durven Lezen , maar zy zelf zegt het my: „ Chrisje , myn eigen Chris*

je, bemint haaren Willem." Meteene pynclyke aandoening fcheide ik van ü; maar ik moet eindiA 4, gen.

Sluiten