Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hne Men fchen vai vetfchillende ge fleMheèden, de Natuur verfchillend zien

i3 Inleiding.

ren; laat ons dat verrukkclykfchouwfpel gaan bezigtigen, 't welk zy ons noodigt te zien; laat ons dat ligte gaas flegts wegneernen , waarmede zy goedvindt hetzelve voor de oogen van een dom gemeen te verbergen.

, Dat men twee menfchen van verfchiilenden aart en zeden in het midden eener aangenaame weide bren« ge 5 laat de eene zyne jeugd in geduurigcn moeijely keu arbeid gefleeten, niet anders dan grove en onverteerbaarc Ipyzen genuttigd hebben, en door

■ zyne ongunftige opveeding zo dom zyn, als het Vee, daar hy tegen werkt;dat de andere integendeel zyne fyue zenuwen, door eene maatige beweeging van der jeugd, af aan , op den vereiichten toon gefpannen , en zyne gelukkige geaard» heid door eene gunftige opvoeding verbeterd hebbe; de eerde zal alles zien en niets beichouweu, de ander zal dezelfde voorwerpen aantreffen, en "er van opgetoogen worden , hy zal alles zien en alles befchouwen willen, Hier bekoort hem een boom, door zyn fraeijen (lam, weelige takken of trotfchcn kruin; daar plukt hy een bloem, over wiens reuk en kleur, en maakzel hy zig even zeer verwondert ,hy ziet een Vogel vliegen, en beklaagt zig dien niet te kunnen agterhaalen, om zyne fraeije veeren nader op te merken; hy wendt 'er zyn gezigt onwillig af, en vindt ftraks nieuwe bckoorlykheeden, die hem treffen; 't is

aan

Sluiten