Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleiding. 25

Een Natuurkundige , die , geen werk maakt van waarneemingen, die zyn befluiren niet uit de ondervinding alleen opmaakt, en daar opves« tiet, die verwart zig in befpiegeüngen, in onderftellingeiiidaar hy vergeelfch de verlchynzelen uit poogt af te leiden, weiketen grondflage daar van hadden moeten dienen; hy fchspt dracikolken, en verklaart het gebouw van onze wereld niet.

Dus koomt een Wysgeet > die waarneemingen maakt , ,, tot de ontdekking der groote j, waarheeden, omdat hy de algemeene gevolgen „ zyner waarneemingen gadt-flaac , terwyl integendeel hy, die zyne wysgeerte op bloote redeneeringen wil veftigen , zig in zyne gisfingen vetwart, en harfenfchimmen voor bewy,, zen opneemt.

Laaten wy dan de redeneeringen en algemeene' gevolgtrekkingen altoos met het waarncemen zaa-1 men voegen. ,, Dat laatfte is als het lighaam ,' ,, de eerfte als de ziel der weetenlchappen; en „ de werkingen der ziele bepaalen zig niet enkel met het lighaam te plooijen, maar vermeer,, deren en vergrooten ook hetzelve ; bepaalen zig niet, om den verkreegen voorraad in or,, der te fchikken, maar derzelver invloed ftrekt ,, zig ook tot op de waarneemingen zelve uit; één van haare voornaamfte verrigtingen is den Wysgeer ten geleide te dienen in het doolhof ,, der verfchynzelen, waarin hy anders nauweB 5 „ lyks

laar daat edeneeingeu byi oegen.

Sluiten