Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van MOSES. Hoofdd. XIV.

5-9

dezelve weder, na verloop van eenige dagen, 0Js-afmDna£; moeten onderzoeken: vind hij dat het eene huis, zijnefte-

. r- 11 • - -n nen , cn zijn

invreetende en befinettende plaage is, 45. Dan hout geiijk af.

zal hij belasten dat het huis geheel afgebro- ^mits-

ken worde, niet alleen het metzelwerk, maar leem van 't

zelve huis: cn

zelfs het houtwerk; alles zal, tot de kalk nien zal het toe, naer eene onreine plaats, om dus de be- v^ree° aan eae. fmetting voortekomen, vervoerd moeten wor- ne^onreine den. 46. Want al wie maar even in zulk een vs: 64. En huis gaat, het zij dan dat het hem bekend

gaat ten eeni-

zij, of niet, zulk een is zelf onrein tot den **?>e*

avond. 4.7. Zelf hii, die in zulk een twijfel- zal toegeüoten ^' , .. . hebben, zal011-

achtig huis, waar van hij maar eenig vermoe- rein zijn tot den had, geilapen, of een etmaal vertoeft zal ^den^avoni hebben, die zal verplicht zijn van gewaad te ook in dat huis

' „ , . te (lapen legt,

veranderen, of het doen wasichen. 48. Maar zal zijne kie-

ingeval de Priester, op het nader onderzoek fc?,1™ . jnJ^

befpeürd, dat het niet voortgezet is, zo zal <jje ™ dat

hii het huis weder rein verklaaren, zijnde zijne klederen

, , -ii 11 wasfchen.

het kwaad door het uitbrceken verholpen. Vs. 48. Maar

49. Doch alvoorens zal hij, ter volkomen zui- ^jes^_r

vertnff van dat huis, door het gerucht nu in- gegaan zijn,en 0 merken zal ,

ftallig geworden, twee vogelkens neemen, om dat, ziet, die

het te ontzondigen. 50, 51. Den eene zal hij Sf'hui» nfet

als vooren Aagten, en met dien bundel als uitgefpreid zij ö , na dat het huis

vooren het huis befproeijen. 52. Bloed en wa- zal beftreken

. . . . .... , zijn: zo zal de

ter zal er ter zuivering uoodig zijn, op de pricster dat voorfebreeve wijze. 53- Den nog levendigen

die einftekitig

genezen is. vs. 49. Daar na zal hij, om dat huis te ontzondigen, twee vogelkens nemen; mitsgaders cedcrenhnut, fcharlaken en ijzop. vs. 50. En hi] zal den eenen vogel flachten in een aarde vat, over levendig water, vs. 51. Dan zal hij dat cederenhout, dien ijzop, het fcharlaken, en den levendigen voüel nemen, cn zal die in het bloed des gedachten vogels, cn in het levendig water doppen: en hij zal dat huis zevenmaal 'belprengen. vs. 52. Zo zal hij dat huis ontzondigen met het bloed des vogels, cn met dat levendig water, en met den levendigen vogel, en met dat cederenhout, en met den ijzop, en met het fcharlaken. vs. 59. Den levendigen vogel nu zal hij, tot buiten de ftad, en in 't open veld late»

Sluiten