Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den PREDIKER. Hoofdd. VIII. 135

, 8. Maar het geen nog fterker is en trcu- f«■ jriger; de grootfte verandering, die den menschWrt* .wr de ondergaat, daarin is geen tijdftip om dat ge- a\ wind immer vaar aitcwenden ; zo min als een mensch de windgunftig beftuuren, of haar bulderend Sp-g^g^L^ weid beteugelen kan, zo min kan hij het punt, dood; geen?/// ° ■• i i . in dézen

't welk een emde van zijn leeven maaKt , ftrjjd > de ge. afwenden; — hier valt niets te doen, tojjgJg^W' deze worftelingeii baten geene verdedigende roemd gewor-

, , den , zal bem,

wapenen ; de ftoutfte , de roekelooste daden ni(.t tr,y ma. van de grootfte waaghalzen kunnen hem \\\lendat. tijdftip niet redden.

9. Zoortgelijke overdenkingen hielden veel- gj*9; al mijn geest bezig, en werden weder z\-gen deed.k, tot

1 b , ,, .. dar ik met alle

gewisfeld door andere , die mij met een ^unenbeid de menschkundig oog op de zedelijke handelin- Jj£*£" opB'Ü gen der menfchen voor dit toneel, weder $e«£^*J*tf rug bragten ; — eene trok nog mijne gehcele is, waarin de

. .., •, ti j i i eene mensen

opmerkzaamheid ; ik ontuekte dat er zekere ovcr den ande_

tijdvakken zijn waarin de eene mensch gC^g^^g

Over den anderen oeffent, op zulk eene wijze,

dat men zeggen zoude: de heerfcher bedoeld

niets anders dan de ruïne der menfchen , en

fielt daar zijn ware grootheid in. io. Dit vs. io. Zo

i'-ii j i vl n merkte ik, dac

ging zo ver , dat ik wel eens de hatehjklte f„00daards ftaverwoesters der maatfehappij op de ftatigfte^f £fgve„yl wijze ten grave zag voeren, en naar °Pe11"ggbragtpl\yfeer" baare- plaatzen, ter gedagtenis van hun gewijd, den; maar aan

, t • rde vergetelheid

overgevoerd; en anderen die zo menige proetwierdesr,„e,.ge.

io. De Rossi en Kennicot hebben codices gevonden, die lezen : en uit bet heilig paleis uitgedragen wierden; doch ik heb bier die verandering liever gevolgd, die andere, fchoon minder in getal, opgeven. Zo men den letter volgen wil, dan zal Ni.euwt.ands vertaling de duideiijköe en vloeijenlte wezen, Olia II. Deel .bladz. 13?.

Sluiten